SSW: Sudden Stratospheric Warming
Réchauffement stratosphérique soudain (SSW) : quelles conséquences pour l'Europe et la Belgique ?
Un réchauffement stratosphérique soudain, ou Sudden Stratospheric Warming (SSW), constitue l'un des phénomènes les plus fascinants de la dynamique atmosphérique hivernale.
Il peut provoquer une profonde réorganisation de la circulation atmosphérique dans l'hémisphère Nord, favoriser des épisodes de froid intense sur l'Europe et modifier les régimes météorologiques pendant plusieurs semaines.
Mais attention : un SSW n'entraîne pas automatiquement une vague de froid en Europe occidentale. Tout dépend de la manière dont les perturbations stratosphériques se propagent vers la troposphère et influencent la circulation générale.
. Que se passe-t-il dans la stratosphère ?
Understanding the Arctic polar vortex | NOAA Climate.govWeather Whiplash: Record Snow vs Record Heat & Polar Vortex News | Ryan Hall, Y'allBut what does a polar vortex breakdown look like down here? | NOAA Climate.gov6
En hiver, un puissant vortex polaire se développe dans la stratosphère, généralement entre 15 et 50 km d'altitude. Il est associé à des vents d'ouest très rapides qui entourent les régions polaires.
Lors d'un SSW majeur :
La température stratosphérique polaire peut augmenter de plusieurs dizaines de degrés en quelques jours.
Les vents zonaux d'ouest à 60°N et 10 hPa s'affaiblissent, puis s'inversent en vents d'est.
Le vortex polaire peut être déplacé, fortement déformé ou scindé en deux noyaux distincts.
Les anomalies de circulation peuvent ensuite se propager vers les basses couches de l'atmosphère.
Cette propagation descendante est déterminante pour les conséquences météorologiques en Europe.
Que se passe-t-il dans la stratosphère ?
Understanding the Arctic polar vortex | NOAA Climate.govWeather Whiplash: Record Snow vs Record Heat & Polar Vortex News | Ryan Hall, Y'allBut what does a polar vortex breakdown look like down here? | NOAA Climate.gov6
En hiver, un puissant vortex polaire se développe dans la stratosphère, généralement entre 15 et 50 km d'altitude. Il est associé à des vents d'ouest très rapides qui entourent les régions polaires.
Lors d'un SSW majeur :
La température stratosphérique polaire peut augmenter de plusieurs dizaines de degrés en quelques jours.
Les vents zonaux d'ouest à 60°N et 10 hPa s'affaiblissent, puis s'inversent en vents d'est.
Le vortex polaire peut être déplacé, fortement déformé ou scindé en deux noyaux distincts.
Les anomalies de circulation peuvent ensuite se propager vers les basses couches de l'atmosphère.
Cette propagation descendante est déterminante pour les conséquences météorologiques en Europe.
Les conséquences possibles sur nos régions
Affaiblissement du courant-jet
Circulation d'ouest moins régulière et plus ondulante
Blocage anticyclonique vers le Groenland ou la Scandinavie
Développement possible de flux continentaux d'est à nord-est
Oscillation nord-atlantique (NAO) négative
Probabilité accrue de situations de blocage sur l'Atlantique Nord
Descente d'air arctique ou continental
Risque de fortes gelées et de vagues de froid
Dépressions circulant plus au sud
Possibilité d'épisodes neigeux sur l'Europe occidentale
Ces conséquences ne sont ni systématiques ni nécessairement simultanées.
Combien de temps après un SSW les effets se manifestent-ils ?
Chronologie indicative après un SSW majeur
Jours 0 à 7 : réchauffement rapide et perturbation du vortex stratosphérique.
Jours 7 à 21 : propagation descendante possible des anomalies de circulation.
Semaines 3 à 6 : période pendant laquelle les effets sur les régimes météorologiques européens peuvent devenir particulièrement marqués.
Jusqu'à 6 à 8 semaines, parfois davantage : persistance possible d'une circulation atmosphérique perturbée.
Ce calendrier reste indicatif : certains événements influencent rapidement la troposphère, tandis que d'autres n'ont pratiquement aucun effet perceptible en surface.
Deux exemples historiques
Beast from the East (Late February/early March) 2018 analysis
Février–mars 2018 : la « Bête de l'Est »
Un SSW majeur a précédé une réorganisation de la circulation atmosphérique, favorisant l'arrivée d'air continental glacial sur une grande partie de l'Europe. Le Royaume-Uni, la Belgique et les régions voisines ont connu un épisode hivernal remarquable.
Deadly Cold Across Europe and Russia - NASA Science
Hiver 2009–2010 : blocages persistants
Des perturbations du vortex polaire et une circulation nord-atlantique fortement négative ont accompagné des épisodes de froid et de neige prolongés sur l'Europe.
Que faut-il surveiller dans les prévisions ECMWF ?
Pour déterminer si un SSW annoncé risque réellement d'affecter la Belgique, je privilégierais cinq indicateurs :
Le vent zonal à 10 hPa et 60°N, afin de vérifier une éventuelle inversion des vents d'ouest.
Les températures à 10 hPa, pour mesurer l'intensité et l'étendue du réchauffement polaire.
La géopotentielle à 10 hPa, pour distinguer un déplacement du vortex d'une éventuelle scission.
Les anomalies de vent zonal selon l'altitude et le temps, pour suivre un éventuel couplage stratosphère–troposphère.
Les ensembles ECMWF à 500 hPa et l'indice NAO, pour évaluer la probabilité d'un blocage groenlandais ou scandinave.
Et si un SSW se produisait dès novembre 2026 ?
Un SSW majeur aussi précoce serait particulièrement intéressant sur le plan climatologique. Toutefois, sans examiner les dernières sorties stratosphériques de l'ECMWF, il serait prématuré de confirmer son apparition ou d'en déduire une vague de froid pour décembre.
Les SSW majeurs surviennent en moyenne environ six fois par décennie dans l'hémisphère Nord, mais leur survenue dès le début de la saison hivernale est beaucoup plus inhabituelle
Plotselinge stratosferische opwarming (SSW): welke gevolgen voor Europa en België?
Wanneer de stratosfeer plotseling opwarmt, kan de Europese winter een heel ander gezicht krijgen
Een Sudden Stratospheric Warming (SSW), of plotselinge stratosferische opwarming, behoort tot de meest fascinerende verschijnselen binnen de winterse atmosferische dynamica.
Dit fenomeen kan de grootschalige luchtcirculatie op het noordelijk halfrond ingrijpend veranderen, de kans op uitgesproken koudeperiodes in Europa vergroten en de weerspatronen gedurende meerdere weken beïnvloeden.
Een SSW betekent echter niet automatisch dat Europa met een koudegolf te maken krijgt. Alles hangt af van de mate waarin de verstoringen in de stratosfeer zich naar de troposfeer voortplanten en daar de algemene luchtcirculatie beïnvloeden.
1. Wat gebeurt er in de stratosfeer?
Tijdens de winter ontwikkelt zich op ongeveer 15 tot 50 kilometer hoogte een krachtige polaire vortex, omgeven door zeer sterke westenwinden.
Bij een belangrijke SSW-gebeurtenis kan de temperatuur in de polaire stratosfeer binnen enkele dagen met tientallen graden stijgen.
Tegelijkertijd verzwakken de westenwinden op ongeveer 30 kilometer hoogte aanzienlijk en kunnen ze zelfs omslaan naar oostenwinden. De polaire vortex kan daarbij sterk vervormen, uit zijn normale positie worden geduwd of zelfs in twee afzonderlijke delen uiteenvallen.
Wanneer deze verstoringen zich vervolgens naar de lagere atmosfeer uitbreiden, kunnen ze ook onze weersomstandigheden beïnvloeden.
2. Mogelijke gevolgen voor Europa en België
Een dergelijke verstoring kan verschillende veranderingen in de atmosferische circulatie veroorzaken:
Verzwakking van de straalstroom: de gebruikelijke westelijke luchtcirculatie wordt minder uitgesproken en sterker golvend.
Vorming van hogedrukblokkades: vooral boven Groenland of Scandinavië, waardoor koude continentale lucht gemakkelijker West-Europa kan bereiken.
Negatieve fase van de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO): een grotere kans op geblokkeerde weersituaties boven de noordelijke Atlantische Oceaan.
Uitbraken van arctische of continentale lucht: met mogelijk strenge vorst en langdurige koudeperiodes.
Zuidelijkere banen van depressies: waardoor de kans op winterse neerslag en sneeuw in onze streken kan toenemen.
Deze gevolgen treden echter niet noodzakelijk gelijktijdig op en zijn evenmin gegarandeerd.
3. Wanneer worden de gevolgen merkbaar?
De invloed van een SSW op het weer aan het aardoppervlak verschijnt doorgaans niet onmiddellijk.
Tijdens de eerste week vindt de belangrijkste verstoring van de stratosferische vortex plaats.
In de daaropvolgende één tot drie weken kunnen de afwijkingen zich geleidelijk naar de troposfeer uitbreiden.
Vooral tussen de derde en zesde week na de gebeurtenis kunnen de gevolgen voor de Europese luchtcirculatie duidelijker worden.
Soms blijven deze verstoringen zes tot acht weken of zelfs langer merkbaar.
4. Twee historische voorbeelden
Februari–maart 2018: de « Beast from the East »
Een belangrijke SSW ging vooraf aan een ingrijpende verandering van de atmosferische circulatie. Hierdoor kon ijskoude continentale lucht grote delen van Europa bereiken, met uitzonderlijk winterweer in onder meer België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
Winter 2009–2010: langdurige hogedrukblokkades
Verstoringen van de polaire vortex en een sterk negatieve NAO gingen gepaard met langdurige periodes van koude en sneeuw in verschillende delen van Europa.
5. Welke parameters moeten we bij ECMWF volgen?
Om de mogelijke gevolgen voor onze streken te beoordelen, verdienen vooral vijf parameters bijzondere aandacht:
De zonale wind op 10 hPa en 60° noorderbreedte.
De temperatuurontwikkeling in de polaire stratosfeer op 10 hPa.
De geopotentiële hoogte op 10 hPa en de structuur van de polaire vortex.
De verticale voortplanting van windafwijkingen tussen de stratosfeer en de troposfeer.
De ensembleverwachtingen van ECMWF op 500 hPa, samen met de ontwikkeling van de NAO-index.
6. Wat indien een SSW al in november 2026 zou plaatsvinden?
Een belangrijke SSW zo vroeg in het winterseizoen zou klimatologisch bijzonder opmerkelijk zijn.
Een dergelijk scenario zou de kans op een ingrijpende verandering van de atmosferische circulatie tijdens de daaropvolgende weken kunnen vergroten.
Toch zou het voorbarig zijn om daaruit nu al een strenge winter of een koudegolf in december af te leiden.
De verdere ontwikkeling van de polaire vortex en vooral de wisselwerking tussen stratosfeer en troposfeer zullen daarbij doorslaggevend zijn.
Conclusie
Wanneer de stratosfeer plotseling opwarmt, kan de Europese winter een heel ander gezicht krijgen.
Op ongeveer dertig kilometer boven ons hoofd kan een spectaculaire verstoring van de polaire vortex enkele weken later de atmosferische circulatie boven het noordelijk halfrond grondig wijzigen.
De overheersende westenwinden kunnen aan kracht verliezen, hogedrukgebieden kunnen zich op noordelijke breedtegraden vastzetten en koude arctische of continentale luchtmassa's kunnen gemakkelijker West-Europa bereiken.
Maar de stratosfeer bepaalt niet altijd wat er in de troposfeer gebeurt.
Een spectaculaire opwarming op grote hoogte vormt dus geen garantie voor winterkou aan het aardoppervlak, maar wel een belangrijk waarschuwingssignaal dat meteorologen bijzonder aandachtig moeten volgen.
Plötzliche Stratosphärenerwärmung (SSW): Welche Folgen für Europa und Belgien?
Wenn sich die Stratosphäre plötzlich erwärmt, kann der europäische Winter ein völlig anderes Gesicht bekommen
Eine Sudden Stratospheric Warming (SSW), also eine plötzliche Stratosphärenerwärmung, gehört zu den faszinierendsten Phänomenen der winterlichen atmosphärischen Dynamik.
Dieses Ereignis kann die großräumige atmosphärische Zirkulation auf der Nordhalbkugel erheblich verändern, die Wahrscheinlichkeit ausgeprägter Kälteperioden in Europa erhöhen und die Wetterentwicklung über mehrere Wochen beeinflussen.
Eine plötzliche Stratosphärenerwärmung bedeutet allerdings keineswegs automatisch, dass Europa eine Kältewelle bevorsteht. Entscheidend ist vielmehr, in welchem Ausmaß sich die Störungen aus der Stratosphäre bis in die Troposphäre ausbreiten und dort die großräumige Luftzirkulation beeinflussen.
1. Was geschieht in der Stratosphäre?
Während des Winters bildet sich in etwa 15 bis 50 Kilometern Höhe ein kräftiger Polarwirbel, der von sehr starken Westwinden umgeben ist.
Bei einem bedeutenden SSW-Ereignis kann die Temperatur in der polaren Stratosphäre innerhalb weniger Tage um mehrere zehn Grad ansteigen.
Gleichzeitig schwächen sich die Westwinde in rund 30 Kilometern Höhe erheblich ab und können sich sogar in Ostwinde umkehren.
Dabei kann der Polarwirbel stark deformiert, aus seiner ursprünglichen Position verdrängt oder sogar in zwei getrennte Wirbel aufgespalten werden.
Breiten sich diese Störungen anschließend bis in die unteren Atmosphärenschichten aus, können sie auch die Wetterentwicklung in unseren Regionen beeinflussen.
2. Mögliche Auswirkungen auf Europa und Belgien
Eine solche Störung kann mehrere bedeutende Veränderungen der atmosphärischen Zirkulation begünstigen:
Abschwächung des Jetstreams: Die vorherrschende Westströmung wird schwächer und stärker mäandrierend.
Entstehung blockierender Hochdruckgebiete: Besonders über Grönland oder Skandinavien, wodurch kalte kontinentale Luft leichter nach Westeuropa gelangen kann.
Negative Phase der Nordatlantischen Oszillation (NAO): Eine erhöhte Wahrscheinlichkeit blockierter Wetterlagen über dem Nordatlantik.
Vorstöße arktischer oder kontinentaler Kaltluft: Mit möglichen strengen Frösten und länger anhaltenden Kälteperioden.
Südlichere Zugbahnen von Tiefdruckgebieten: Dadurch können winterliche Niederschläge und Schneefälle in unseren Regionen begünstigt werden.
Diese Auswirkungen treten jedoch weder zwangsläufig gleichzeitig auf, noch sind sie bei jedem SSW-Ereignis zu erwarten.
3. Wann machen sich die Auswirkungen bemerkbar?
Die Folgen einer plötzlichen Stratosphärenerwärmung für das Wetter am Boden treten normalerweise nicht unmittelbar ein.
Während der ersten Woche kommt es zur eigentlichen Störung des stratosphärischen Polarwirbels.
In den folgenden ein bis drei Wochen können sich die atmosphärischen Anomalien allmählich nach unten bis in die Troposphäre ausbreiten.
Besonders zwischen der dritten und sechsten Woche nach dem Ereignis können sich die Auswirkungen auf die europäische Großwetterlage deutlich bemerkbar machen.
In manchen Fällen können solche Zirkulationsanomalien sechs bis acht Wochen oder sogar länger bestehen bleiben.
4. Zwei historische Beispiele
Februar–März 2018: Die "Bestie aus dem Osten"
Eine bedeutende plötzliche Stratosphärenerwärmung ging einer tiefgreifenden Umstellung der atmosphärischen Zirkulation voraus.
Dadurch konnte eisige kontinentale Kaltluft weite Teile Europas erreichen und unter anderem in Belgien, den Niederlanden und Großbritannien außergewöhnlich winterliche Bedingungen verursachen.
Winter 2009–2010: Anhaltende Hochdruckblockaden
Störungen des Polarwirbels und eine stark negative Nordatlantische Oszillation begleiteten lang anhaltende Kälte- und Schneeperioden in verschiedenen Regionen Europas.
5. Welche Parameter sollten wir beim ECMWF besonders beobachten?
Um mögliche Auswirkungen auf unsere Regionen besser einschätzen zu können, verdienen insbesondere fünf meteorologische Parameter besondere Aufmerksamkeit:
Der zonale Wind auf 10 hPa bei 60° nördlicher Breite.
Die Temperaturentwicklung in der polaren Stratosphäre auf 10 hPa.
Die geopotenzielle Höhe auf 10 hPa und die Struktur des Polarwirbels.
Die vertikale Ausbreitung der Windanomalien zwischen Stratosphäre und Troposphäre.
Die ECMWF-Ensembleprognosen auf 500 hPa sowie die Entwicklung des NAO-Index.
6. Was wäre, wenn bereits im November 2026 ein SSW-Ereignis auftreten würde?
Eine bedeutende plötzliche Stratosphärenerwärmung zu einem derart frühen Zeitpunkt der Wintersaison wäre aus klimatologischer Sicht besonders bemerkenswert.
Ein solches Ereignis könnte die Wahrscheinlichkeit einer grundlegenden Umstellung der atmosphärischen Zirkulation während der darauffolgenden Wochen erhöhen.
Dennoch wäre es verfrüht, daraus bereits jetzt einen strengen Winter oder eine ausgeprägte Kältewelle im Dezember abzuleiten.
Entscheidend werden die weitere Entwicklung des Polarwirbels und insbesondere die Wechselwirkungen zwischen Stratosphäre und Troposphäre sein.
Fazit
Wenn sich die Stratosphäre plötzlich erwärmt, kann der europäische Winter ein völlig anderes Gesicht bekommen.
Rund dreißig Kilometer über unseren Köpfen kann eine außergewöhnliche Störung des Polarwirbels wenige Wochen später die atmosphärische Zirkulation auf der gesamten Nordhalbkugel nachhaltig verändern.
Die vorherrschenden Westwinde können an Stärke verlieren, blockierende Hochdruckgebiete können sich in hohen nördlichen Breiten festsetzen, und eisige arktische oder kontinentale Luftmassen können leichter nach Westeuropa vordringen.
Doch die Stratosphäre bestimmt nicht zwangsläufig das Geschehen in der Troposphäre.
Eine spektakuläre Erwärmung in großer Höhe ist daher keineswegs eine Garantie für winterliche Kälte am Boden. Sie stellt vielmehr ein bedeutendes atmosphärisches Frühwarnsignal dar, dessen weitere Entwicklung von Meteorologen besonders aufmerksam verfolgt werden sollte.
